Vertrektijd

24-12-2025

‍Dit verhaal heb ik geschreven om mee te dingen naar een plekje voor de NPO Cultuur Masterclass 2026. Daarom plaats ik nu hier alleen een sneakpreview. Eind januari weet ik of ik uitgekozen ben. Daarna plaats ik de rest van het verhaal.
 

‍De wind joeg over het perron door de stalen balken boven zijn hoofd. Af en toe trok er een gierend geluid langs, hoog en hol, alsof het perron zelf ergens tegen protesteerde. Hij sloeg zijn kraag op en wreef zijn handen tegen elkaar. De kou beet zich vast in zijn vingers en liet niet meer los.


‍Langs de rand van het perron stonden mensen verspreid. Schoenen schoven over natte tegels. Iemand kuchte, kort en zonder schaamte. Een telefoon trilde dof in een jaszak en werd meteen weer het zwijgen opgelegd. Op de borden boven hen wisselden cijfers van plaats. Bestemmingen schoven op, verdwenen, kwamen terug in een andere volgorde, alsof er elders iets gebeurde waar hij geen deel van uitmaakte.


‍Hij was vroeg. Altijd te vroeg.

‍Niet uit haast, maar omdat hij het prettig vond als de ruimte nog niet vastlag. Als er nog plekken waren die niet waren ingenomen, stroken waar niemand stond. Hij had een punt op het perron uitgekozen, iets verderop, waar de meeste mensen vanzelf voorbijliepen. Een plek waar niemand naast hem stond zonder reden. Maar ook hier liep het langzaam vol. Lichamen schoven dichter op elkaar, jassen raakten elkaar even, mensen maakten zich kleiner zonder dat iemand dat hardop zei. 

‍Een vrouw schuifelde langs hem, kwam te dichtbij. Haar parfum prikte in zijn neus. Rustig ademhalen. Het prikte harder.


‍De stationsklok tikte, hoog boven de hoofden. Hij volgde de wijzer met zijn blik, telde onbewust mee. Rustig ademen. De trein zou komen. Mensen zouden instappen. Daarna zou het perron weer leeg zijn. Dat was altijd zo.


‍Bij drie minuten en drieënveertig seconden verschoof er iets in zijn blikveld. Geen achteloos bewegen, geen gewicht dat van het ene been op het andere werd gezet, maar een stap met richting. Iemand die ergens naartoe ging.


‍Een groene wollen jas.

‍Blond haar, los over haar schouders.

‍Een roze sjaal, strak om haar hals.


‍De wind trok aan de stof, alsof hij haar even wilde vasthouden.


‍Zijn schouders spanden zich. De kou leek ineens omhoog te kruipen, langs zijn nek, onder zijn jas. Hij bleef staan. Keek niet weg. Alsof hij, door stil te blijven, iets kon vasthouden wat anders meteen weer zou verdwijnen.


‍Twee jaar.


‍Ze hadden tegenover elkaar gezeten aan een te kleine tafel. Hij had zijn bestek recht gelegd en daarna niet meer aangeraakt. Het had er gelegen als een afspraak die hij niet durfde te verbreken. Ze had geluisterd, haar hoofd iets schuin, haar handen om haar glas. Af en toe had ze geknikt. Toen had ze gelachen, zacht maar beslist, alsof hij iets lichts had gezegd. Alsof hij het zo bedoelde. Daarna was ze opgestaan. Ze had haar jas aangetrokken terwijl hij nog zat. Hij was blijven zitten toen ze al bij de deur stond. Pas toen ze weg was, had hij betaald.


‍Nu liep ze hier, tussen de reizigers door. Ze was dichterbij gekomen zonder hem te zien. Haar glimlach werd warmer bij iedere stap. Mensen weken voor haar uit, alsof ze vanzelf ruimte maakten. Anderen draaide ze omheen zonder dat het moeite kostte.


‍Hij stelde zich voor hoe ze hem zou opmerken. Niet groots, niet dramatisch. Alleen dat haar blik even zou blijven hangen. Maar ze zou al dichterbij zijn voordat hij wist wat hij zou antwoorden. Te snel. Haar gezicht te laag, haar adem warm. Hij voelde haar tegen zich aan zonder te weten waar hij moest kijken. Haar haar raakte zijn wang. Het klopte niet.



‍Lees de rest van het verhaal na 26 januari!