Ondertussen ben ik hard bezig met het schrijven van een roman met deze lange titel. Het ligt bij verschillende uitgeverijen ter beoordeling. Dit is het eerste hoofdstuk (de proloog plaats ik nog even niet, dat geeft teveel weg)
Ferdinand
Bij de volgende afslag rechtsaf.
Ik kijk naar rechts maar zie niets anders dan polder. Grijsgroene velden strekken zich uit tot aan de verdomde eeuwigheid. Vogels worstelen tegen de wind om dit gebied te ontvluchten. Koeien laten hun kop hangen als ik voorbijrijd. De grauwe lucht is doordrongen van de zure mest. Je zou hier maar wonen, schiet het door mijn hoofd. Westwoud, dorp in West-Friesland, ongeveer tussen Hoorn en Hetboeitmijookhelemaalniets. De moed zakt me volledig in de schoenen. Doe ik er wel verstandig aan om mijn hele leven naar deze uithoek te verplaatsen? Waarom ook alweer?
Regen slaat in harde vlagen tegen mijn voorruit terwijl ik tussen de zwiepende ruitenwissers de afslag probeer te vinden. Ik draai wat aan de radio, zoekend naar afleiding, graag iets met veel gitaren. Tussen de druppels door tuur ik naar de afslag en probeer mijn hoofd leeg te maken. Ik ga een nieuwe start maken, wie kan dat nou werkelijk zeggen? Met een geforceerd gevoel van trots adem ik even diep in en geef nog wat gas bij. Misschien praat ik mezelf alleen maar moed in. Misschien is het allemaal niet zo fantastisch. Snel schud ik die gedachte weer weg.
Westwoud, zie ik op de borden staan, en met een ruk van mijn stuur vlieg ik de afrit af. Door mijn hoge snelheid kan ik nog maar net de bocht houden. Afremmen was misschien ook een optie geweest, maar daarvoor is het nu te laat. De regen neemt nog meer toe waardoor ik bijna geen hand voor ogen meer zie. De ruitenwissers lijken de strijd te verliezen, hoe dapper ze ook heen en weer blijven gaan.
Plotseling doemt een rotonde op en trap ik vol op mijn rem voor een fietser. Door het harde remmen klappen de dozen op de achterbank tegen de voorstoelen aan; ik sta in één keer stil. Mijn hart bonkt in mijn keel. Had ik hier voorrang? Had hij niet gewoon moeten wachten? Even blijf ik stil zitten. De ruitenwissers tillen de regendruppels op en laten hen weer vallen. Dan beuk ik op de claxon en toeter naar de man. Een vloek was welkom, maar ik vond er geen. Als ik niet zo snel had gereageerd, was dit anders gelopen. De man kijkt over zijn schouder als ik hem en zijn Batavus inhaal. Even overweeg ik om mijn raampje naar beneden te doen en hem nog wat toe te roepen, maar ik ben hem al voorbij voordat ik het knopje vind.
Het laatste stuk sukkel ik achter een tractor aan, die besloten heeft om de kortste weg, dwars door het dorp, te nemen. Ik zet de muziek wat zachter en merk dat het ook wat minder hard is gaan regenen. De afslag naar ‘mijn straat’ neem ik extra langzaam om te voorkomen dat de dozen weer gaan schuiven. Na nog wat rotondes en drempels kom ik aan bij de start van mijn nieuwe leven. De kleine, vrijstaande woning staat in Westwoud, maar heeft alles wat ik zou kunnen wensen: rust, een tuin en genoeg ruimte voor een man alleen.
Bijna stilstaand ga ik over de drempel om vervolgens het laatste stuk richting mijn huis af te leggen.
Met wat moeite parkeer ik mijn auto op de stoep voor ‘mijn’ voortuin. Er zijn zoveel dingen die ik in de komende tijd wil aanpakken. De voortuin is er daar zeker een van. De planten staan al behoorlijk hoog en mijn handen jeuken om daar met een snoeischaar doorheen te gaan. Of nog beter, alles eruit te hakken. Ik heb niet zo heel veel met bloemen, of planten. Als het aan mij ligt, komt er gewoon gras zodat een hond daar lekker kan rondrennen. Zo groot is die tuin niet, maar zo groot hoeft die hond ook niet te zijn.
Het stenen paadje dat als stoep doorgaat is niet zo breed, maar ik moet de auto wel uitladen; hier heeft toch niemand er last van? Daarnaast regent het nog steeds, gelukkig niet meer zo hard als net. Het is een prettig idee om vanaf de auto zo naar binnen te kunnen lopen. Ik zet mijn deur op een kier en haal even diep adem. Dit is het dan, mijn nieuwe leven gaat beginnen.
Het tikken van de motor klinkt als een laatste aarzeling.
Ik trek mijn capuchon over mijn hoofd en stap de auto uit.
Terwijl ik uit de kofferbak de eerste verhuisdoos probeer te tillen hoor ik iemand achter me aankomen.
‘Je mag hier niet parkeren hoor — er zijn parkeervakken. Nu blokkeer je de stoep.’ Een oudere vrouw van een jaar of tachtig, komt op mij af met haar rollator; ze wappert met haar wijsvinger. Achter haar aan sleept ze een harig, dik hondje mee. De zwaar gerimpelde vrouw kijkt mij nors aan. Haar zelfgetekende wenkbrauwen zitten hoog op haar voorhoofd. Terwijl de regen om ons heen steeds minder wordt, doe ik een paar stappen naar haar toe, mijn hand naar haar uitgestoken.
‘Goedemiddag,’ probeer ik vriendelijk. ‘Ik kom hier wonen en ga zo mijn auto uitladen. Daarna zal ik hem keurig in het vak zetten.’
Ik kijk haar zo vriendelijk mogelijk aan maar mijn woorden lijken weinig indruk op haar te hebben gemaakt. De hand die ik heb uitgestoken trek ik voorzichtig maar weer in.
‘Jij komt hier wonen?’ Terwijl ze het zegt druipt een deel van haar linker wenkbrauw met een regendruppel mee naar beneden. Een grimas verschijnt op haar gezicht terwijl ze mij strak aankijkt.
Zie ik daar nou minachting? Ach, vast die Westfriese norsheid. Gewoon even wennen.
Charme dan maar.
‘Ja dat klopt, ik heb vanochtend de sleutel gehaald,’ zeg ik zo vriendelijk mogelijk, terwijl ik nogmaals mijn hand naar haar uitsteek. ‘Ferdinand Koldijk’.
Ondertussen heeft het hondje, net nog achter haar aan sjokkend, met z’n korte pootjes het gras van mijn tuin weten te bereiken. Na wat gesnuffel draait het dikke beest zich om, tilt z’n kont even op en begint er een drol uit te persen.
Ze kijkt naar mijn hand, schudt hem even slapjes en praat dan weer verder.
‘Ferdinand Koldijk, ook als je hier komt wonen, zeker als je hier komt wonen, zet je je auto niet op de stoep neer.’ Terwijl ze praat bewegen haar rimpels én haar rechterwenkbrauw in hetzelfde ritme. Wat móet ik nou met zo’n vrouw?
Terwijl ik nadenk over mijn antwoord zie ik vanuit mijn ooghoeken dat iemand zich gaat aansluiten bij ons gesprek. Een fietser komt hard op ons afgereden om op het laatste moment te remmen. Hijgend en nat van de regen blijft hij op een halve meter afstand van mij staan.
‘Ha, tante Willy, goed dat u deze man staande heeft gehouden.’ Het kale, oververhitte hoofd van de man draait mijn kant op en komt mij vaag bekend voor, net als de Batavus waar hij op fietst. ‘Vindt u dat normaal? Iemand bijna doodrijden op een rotonde, terwijl u daar géén voorrang heeft en dan vervolgens keihard toeteren? En dan rijdt u ook nog eens als een maniak door ons dorp.’ De man wordt steeds roder, terwijl druppels zweet óf regenwater van zijn voorhoofd parelen. Hij moet echt hard gefietst hebben om mij in te halen.
‘Nou…,’ zeg ik, klaar voor de tegenaanval. ‘Moet jij eens goed luisteren, mannetje’ had ik graag willen zeggen maar ik slik mijn woorden in. In deze situatie lijkt het mij beter te de-escaleren. Misschien woont deze man hier wel in de buurt. De man en de vrouw lijken elkaar overigens te kennen. Twee tegen een, dat ga ik niet winnen, choose your battles.
‘Ik had je niet gezien door de regen, sorry daarvoor’ antwoord ik. ‘Ik schrok heel erg, je dook daar zomaar op.’
‘Is dat allemaal zo, Arie?’ reageert de vrouw. Ze kijkt de man even aan en draait zich dan weer naar mij. ‘We hebben hier zo vaak te maken met hardrijders, zoals jij,’ gaat ze verder. ‘Ik maak dagelijks, op dit tijdstip, een wandeling en ik zie de meest gevaarlijke situaties. Neem maar van mij aan dat er een keer doden gaan vallen in dit dorp.’
‘Zoals gezegd: ik zag je te laat en moest hard remmen. Mijn reactie was niet oké — excuses. De rest reed ik keurig,’ zeg ik terwijl ik de man weer aankijk.
‘Nou, ik begrijp dat jij een echte aanwinst bent voor ons dorp, Ferdinand Koldijk,’ zegt de vrouw. Terwijl het cynisme nog van haar afdruipt en ze mij strak aankijkt schuifelt ze richting Arie en legt haar gerimpelde hand op zijn schouder. Ik zou nu eigenlijk iets aardigs moeten zeggen maar kan zo snel niets bedenken. De stilte kiest voor mij. Het enige wat lukt is een vriendelijke, domme glimlach.
Arie legt zijn hand op de hare en geeft haar een kus op haar wang. Heeft hij niet door dat hij nu de helft van haar voormalige wenkbrauw op zijn lip heeft?
‘Wist jij dat deze man, Ferdinand Koldijk, hier komt wonen? Ik dacht dat Ronald hier in zou trekken.’ De vrouw kijkt naar Arie, die met zijn rood aangelopen hoofd nog steeds zijn blik strak op mij gericht heeft. Dan kijkt hij weer naar haar.
‘Ja tante Willy, het klopt dat Ronald hier graag had willen wonen. Maar in de huidige woningmarkt was het voor hem niet te betalen. Dan krijg je dus dat mensen van buiten alles opkopen,’ zegt hij terwijl zijn blik weer naar mij gaat.
‘Nou, ik heb het niet gekocht hoor,’ antwoord ik snel. ‘Gehuurd, het was ook het enige dat ik kon betalen. Ik kom uit Amsterdam. Maar ik was wel van plan om zo snel mogelijk op te gaan in het dorp. Aan te passen, zeg maar.’
‘Uit Amsterdam? En alleen of neem je ook iemand mee?’ Het hoofd van de man is in de afgelopen momenten langzaam wat minder rood geworden en het lukt hem om er een glimlach uit te persen. Hij steekt zijn natte hand uit en ik grijp gelijk mijn kans om hem te schudden, terwijl ik nadenk over zijn vraag. Is het pijnlijk om te zeggen dat je alleen bent? Deze vraag ga ik de komende tijd nog wel vaker krijgen. Vrienden maken, Ferdinand.
‘Alleen,’ antwoord ik. Het woord blijft hangen.
‘Nou, nieuw bloed in het dorp!’ zegt hij joviaal. Ik probeer hem zo aardig mogelijk aan te kijken maar Arie heeft mijn hand ondertussen in zo’n stevige greep dat ik nog maar net een pijnkreet kan onderdrukken. ‘Welkom in ons dorp, Ferdinand Koldijk’ zegt hij terwijl hij mij plotseling recht aankijkt.
Nog een paar tellen houdt hij mijn hand vast om eraan toe te voegen ‘Ik denk dat wij buren zijn.’