Dit verhaal heb ik geschreven om in te sturen naar Revisor (literair magazine), voor hun Open Call ‘Laatste Ronde’. Eerder had het de titel ‘Een dag om nooit te vergeten.’ Ik vond het heerlijk om te schrijven. Misschien wel omdat ik zelf leraar geschiedenis ben. Iedere leraar kent dat gevoel van onmacht wel. In dit verhaal heb ik dat moment uitvergroot en versterkt.
Ik heb geprobeerd te spelen met de tijd. Daarnaast heb ik geprobeerd geweld te omschrijven op een literaire manier.
(Achteraf is er nog heel veel te verbeteren aan dit verhaal; voortschrijdend inzicht).
De laatste ronde
Met mijn pijnlijke hand zwaai ik naar collega’s en leerlingen. Als ze me zien, barst het juichen los. Eindelijk prikken de tranen. Is dit hoe ik me mijn laatste lesdag had voorgesteld? Een duw in mijn rug. Door de mensenmassa. De gang. De school uit.
Buiten klonk gejuich. De geur van koffie hing nog in het lokaal.
De boeken glijden mijn oude leren tas in; die heeft zijn beste tijd gehad. Alleen mijn lege koffiekopje, zonder oortje, staat nog op het bureau. Verder heb ik alles keurig leeggeruimd. Meestal ben ik niet zo’n opruimer, maar vandaag moet alles eruit. Het voelt vreemd, die leegte in wat mijn lokaal was. Hier hingen foto’s, stapels toetsen, notities — mijn leven in doosjes. Weken geleden begon ik te leegruimen. Eén foto bewaar ik: mijn eerste mentorklas, dertig jaar geleden. In mijn agenda. De rest ging weg. Wat moet ik ermee?
Ik maak nog een rondje met de bezem, de laatste propjes, penvullingen en stof in de hoek. De koffie- en bloedvlekken veeg ik van tafel en vloer.
Klaar.
Er is niets meer over.
Net als van mijn carrière.
Ik heb hier dertig jaar gewerkt; het is voorbij gevlogen. Was ik te ver gegaan? Geen ruimte voor spijt. Dit lag er al jaren — iets dat eruit moest, als een dikke puist. Terwijl ik opsta veeg ik nog wat bloed van mijn geschaafde knokkels. Bij de deur draai ik me nog één keer om. Mulder staat op me te wachten.
‘Daar heb je lang over gedaan,’ zegt Mulder. ‘Heb je alles bij je? Beneden wacht men op je.’
‘Ja.’
Hij kijkt strak. ‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Op de dag van je laatste les.’ Hij laat geen ruimte voor antwoord. ‘Als je beneden bent: met niemand praten. Loop door. De politie staat buiten.’
Vanochtend liep ik de school binnen. Alleen de conciërge was er. Geen goedemorgen, slechts een knik. Ik hing mijn jas op. Keek even in de spiegel. Liep door naar de koffie. Al dertig jaar dezelfde rituelen. Als een processie. In de personeelskamer stond de taart al op tafel. Het mes lag ernaast, alsof iemand alvast had willen snijden. Boven op een bordje. ‘Gefeliciteerd met je pensioen.’ Hartverwarmend.
Ik schonk de koffie in. Te heet, te slap. Zoals altijd.
Ik zette het kopje terug in de automaat en drukte opnieuw op ‘koffie’. Misschien dat het tweede kopje wél iets zou veranderen.
Het haperde. Begon te piepen. Even dacht ik het apparaat een klap te geven. Toen pruttelde hij weer.
In de pauze was ik naar de personeelskamer gesjokt. Men had niet gewacht met het aansnijden van de taart — alsof er al aan mijn lijk gepikt werd voordat ik dood was.
‘Wat ga je doen, lekker achter de geraniums?’ vroeg iemand met volle mond.
Ik keek hem aan, maar vond niets om terug te zeggen.
‘Lekker rustig als jij er niet bent,’ grapte een ander.
Ik nam een grote slok koffie, te heet, en klemde mijn kaken op elkaar.
Een uur later zou diezelfde koffie op de vloer liggen.
De bel ging.
Nog één les.
Drie mavo. Altijd strijd. Brugklassers luisteren nog, eindexamenleerlingen doen alsof. Maar drie mavo — daar komen de restjes samen. Oortjes in, chipszak open, kauwgom onder de tafel, mobieltjes sneller dan ik. Elk jaar dacht ik: dit keer anders. Nieuwe regels, nieuwe toon. Na een week wist ik beter.
Collega’s knikken begripvol. En doen niets.
Nu is het bijna voorbij. Nog één les. Eén ronde.
En ik laat me niet verslaan.
Die middag komen ze weer joelend binnen. Ik sta bij de deur, zoals altijd, om te groeten. Direct probeer ik ze tot stilte te manen. ‘Ga op je plek zitten. Heb ik dat vorige week niet ook gezegd? Telefoon weg. Voeten van de stoel. Spullen op tafel!’
Na een paar minuten begin ik met uitleg. Ik ben nog geen paar zinnen verder als er een vinger omhooggaat.
‘Wat wil je zeggen?’
‘Gaat u weer de hele les praten, of doen we iets leuks?’ vraagt het meisje met een dikke laag make-up.
‘Iets leuks? Dat moet je verdienen. Ik ga verder met mijn uitleg.’
‘Hoezo verdienen?’ zeurt een slungel achterin. ‘Het is uw taak dat wij het leuk vinden. U faalt toch al jaren?’
Rustig ademhalen. Ik heb voor hetere vuren gestaan. Ik ga me niet gek laten maken door zo’n pukkelig, zweterig etter. De greep om mijn kop koffie verstrakt. Het voelt goed iets in mijn handen te hebben. Door de jaren leerde ik: in de buurt van de druktemakers blijven. Langzaam schuifel ik naar de hoek van het lokaal en probeer mijn uitleg weer op te pakken.
‘Dit is zó saai. U vindt dit zelf ook niet leuk, toch?’ vraagt het meisje naast de pukkelkop.
‘Luister goed,’ zeg ik. De greep op mijn beker verstrakt.
‘En als wij niet luisteren, wat dan?’ zegt de pukkelige. ‘Ik ben het zat.’
Vanuit mijn borst borrelt iets, een woedegolf als overkokende melk. Mijn rechterarm zwaait — met de koffiebeker — richting het hoofd van de jongen. Misschien had hij de dreun kunnen ontwijken; nu volgt de doffe klap vol in zijn slaap. Het oortje breekt. Koffie golft over zijn haar en oor. De beker stuitert. Koffiedamp stijgt op. De klas verstijft. Zijn blik is als ijs. ‘Nu heeft u een probleem hè, meneer?’ zegt hij, triomfantelijk. Een joel stijgt op.
Mijn hand grijpt zijn kraag. Ik ruk hem naar me toe. Mijn vuist sluit zich en slaat in zijn gezicht. Eerst zacht vlees; dan een nat geluid; tanden of kaak — iets kraakt. Bloed spat. Bij de tweede uithaal kraakt zijn neusbotje; het bloed stroomt over kin en tafel. Het gegil van de klas vult me met iets van onoverwinnelijkheid. Een roes. Ik voel geen pijn in mijn knokkels. Morgen misschien. Snel kijk ik rond: ik heb alle aandacht. Even vang ik mijn spiegelbeeld — een kromme man, zwetend, schreeuwend, met een beker als wapen. Waarom heb ik hier tot het einde van mijn carrière mee gewacht?
Ik haal adem. Maak me op voor de genadeslag.
De deur vliegt open. Mulder en de collega’s stormen binnen, klappend en joelend, met ballonnen en slingers. Mijn laatste-les-feestje.
‘Gefeliciteerd met je verdiende pensioen…’ buldert Mulder, maar zijn stem sterft als zijn ogen op het bloederige tafereel blijven hangen.
Iemand gilde. De koffie liep langzaam van tafel naar vloer.
De geur van koffie bleef hangen, zoet en scherp tegelijk.
Mijn hand trilde. Niet van spijt.
Eindelijk stilte.
Voor het eerst in jaren luisterden ze.